![]() |
||||
| Ontdek de betekenis van de woorden die u tegenkomt in de teksten. | ||||
| Altaar Offerplaats. Meestal een versierde tafel van waaruit de viering van het Avondmaal plaatsvindt. Altaarsteen Steen horende bij het altaar. Doophek Hek ter afbakening van de dooptuin. Dooptuin Afgebakend gedeelte in de kerk dat wordt gereserveerd voor het dopen. Geleding Onderscheiden bouwlaag van toren, meestal gebouwd in een andere periode of van andere samenstelling dan de rest van de toren. Gewelfribben Ronde verbindingsbogen die het plafond van de kerk dragen, meestal in kruisvorm. Gewelven Gedeelten tussen de gewelfribben, in feite het stenen plafond van de kerk. Herenbank Gewichtige, afgesloten kerkbank gereserveerd voor notabelen van de kerk of voor de adellijke familie uit de omgeving. Kansel Preekstoel. Vanaf de Reformatie nemen de preekstoelen een prominente plaats in bij de Nederlandse kerken. Met name in de zeventiende eeuw ontstaat er een rijke traditie bij het bouwen van preekstoelen. Koor In de klassieke vorm het gedeelte van de kerk dat op het oosten gericht is, meestal tegenover de toren. Lichtkronen Klassieke lampen met een geruim aantal armen die meestal van koper zijn. Schip In de klassieke vorm het middelste gedeelte van de kerk, tussen toren en het koor. Tufsteen Natuursteen dat tot in de late Middeleeuwen werd gebruikt als bouwmateriaal. Moest meestal van verre worden getransporteerd over de rivieren. Vanaf de dertiende eeuw wordt het tufsteen steeds vaker vervangen door bakstenen, die uit de plaatselijke omgeving konden worden betrokken. |
||||